duurzaamsucces

Wat maakt organisaties duurzaam succesvol?

KNHB trapt in traditionele valkuilen

Hockeytalenten moeten niet te snel specialiseren kopt hockey.nl op 16 december jl. Geïnteresseerd lees ik verder. “Volgens eigen onderzoek van de KNHB beoefende het overgrote deel van de internationals die de eindtoernooien van 1996 tot 2014 speelde, meerdere sporten in hun jeugd. Te snel specialiseren loont dan ook niet, concludeert KNHB-talentcoördinator Gerold Hoeben.

Lees ik dit nu goed? Het overgrote deel van de internationals beoefende meerdere sporten in hun jeugd DUS te snel specialiseren loont niet… Ik krab me even achter de oren. Er wordt hier een causaal verband verondersteld. Ik weet hoe lastig dat aan te tonen is, dus ik ben direct benieuwd hoe dat onderzoek eruit ziet. Even verder lezen in dit bericht over het onderzoek ‘Hoe word ik international?’.

teundenooijer

Omdat de KNHB hun eigen jeugdopleiding wil verbeteren stuurde zij een enquête naar 289 (oud-)internationals die een eindtoernooi speelden tussen 1996 (Olympische Spelen Atlanta) tot 2014 (WK in Den Haag) speelden. De hockeybond ontving 137 reacties. […] ‘Zowel de resultaten bij de heren en dames gaven hetzelfde beeld. 65 van de 70 hockeysters hadden naast hockey een andere sport gedaan. Bij de heren hetzelfde: 62 van de 67. Je ziet dat de meeste internationals zich pas specialiseren als ze 14 jaar zijn,’ vertelt Hoeben.

Dat belooft niet veel goeds, ik zie meteen de eerste valkuil. Er wordt alleen gekeken naar succesvolle sporters (de internationals), maar minder succesvolle sporters worden niet meegenomen. Verder lezend kom ik er meer tegen. Er worden causale verbanden verondersteld, daar waar causaliteit helemaal niet aan te tonen is (valkuil 2). Het is niet duidelijk wat onder ‘specialisatie’ wordt verstaan (valkuil 3) en er zijn onvoldoende specifieke vragen geformuleerd (valkuil 4). Goed om eens even bij deze valkuilen stil te staan.

De beperking van alleen kijken naar internationals

Stel dat een onderzoeker wil weten waarom sommige eendenkuikens helemaal geel zijn. De onderzoeker besluit een groep van 100 gele eendenkuikens te onderzoeken en constateert dat deze allemaal uit een wit ei komen. Vervolgens trekt de onderzoeker de conclusie dat witte eieren dus leiden tot gele eendenkuikens… Dezelfde werkwijze wordt in het onderzoek van Hoeben gebruikt. Hij onderzoekt de groep internationals en trekt vervolgens conclusies over deze groep. Maar om terug te gaan naar het voorbeeld: alle eendenkuikens komen uit witte eieren, ook de vaker voorkomende bruingele exemplaren. Om daarachter te komen, is het wel van belang buiten de specifieke doelgroep te kijken. In dit geval had Hoeben bijvoorbeeld alle hoofdklassehockeyers kunnen ondervragen. Hebben de niet-internationals minder vaak meerdere sporten beoefend dan de internationals? Of is het heel normaal dat (hoofdklasse-)hockeyers meerdere sporten hebben beoefend? Dat weten we niet.

Het onterecht leggen van causale verbanden

Als je kijkt naar de groep internationals, dan zijn er wel meer zaken te benoemen die we onevenredig vaak terug zien komen naast het beoefenen van meerdere sporten. Ze spelen allemaal met een kunststof hockeystick. Ze trainen minimaal vier keer per week. De meeste internationals hebben Asics of Adidas hockeyschoenen. En ze spelen bij één van de grotere clubs in het land… Maar worden ze daardoor international, zoals de titel van het onderzoek suggereert? Vast niet toch? Zou het feit dat internationals vaak ook een andere sport hebben beoefend wel een verklaring kúnnen zijn? Laten we dat eens bekijken.

De onderzoekspopulatie is voor een groot deel van mijn generatie; die van Bram Lomans die in ’96 en ’00 olympisch goud won. Hockey was destijds een (nog?) meer elitaire sport dan nu. Oftewel: de jeugd die hockeyde kwam uit meer dan gemiddeld welgestelde gezinnen. Tennissen naast hockey was heel gewoon (ook Lomans was een begenadigd tennisser). De kinderen die tennisten naast hockey, vonden sporten heel leuk. Ze waren fanatieker en speelden ook vaker in een hoger elftal bij hockey. Hielp tennis ze beter te hockeyen, of hockeyden ze beter omdat ze sporten heel leuk vonden en wellicht ook meer aanleg hadden voor sporten (in het algemeen of hockey in het bijzonder)? Ik durf het niet te zeggen. Wél durf ik vraagtekens te plaatsen bij de conclusie van Hoeben. Want veel topvoetballers beoefenden slechts één sport: voetbal. Cruyff, Pelé, Messi, Suarez, Ronaldo, allemaal topvoetballers die nooit meerdere sporten hebben beoefend. Zouden zij nog betere voetballers zijn geworden als zij ook andere sporten hadden beoefend? Of zijn zij juist zo goed geworden omdat ze alleen maar gevoetbald hebben? Veel topvoetballers komen niet uit welgestelde gezinnen. Misschien laat het onderzoek alleen maar dit verschil zien: tophockeyers hebben meerdere sporten beoefend, omdat hun ouders daar de middelen voor hadden…

Wat is ‘specialisatie’ eigenlijk?

In het onderzoek wordt de sport hockey als een specialisatie gezien. Er wordt een professor bijgehaald (dat doet het altijd goed):

Het is ook wat er uit het onderzoek komt van Prof. dr. Geert Savelsbergh, lector Perceptueel-motorische Talentontwikkeling. ‘Een Gouden Regel is er niet, er zijn meer wegen die naar Rome leiden, maar het is zo langzamerhand wel duidelijk geworden dat, als de speler vroegtijdig (lees vóór de groeispurt) onder druk gezet wordt om resultaatgericht te handelen en vroegtijdig te specialiseren, al rond de 12 jaar afhaakt.’ Hij concludeert ook: ‘Vroegtijdig selecteren en specialiseren is in de meeste gevallen roofbouw plegen op de jonge sporter met verstrekkende gevolgen. Bij sporten als tennis, turnen en zwemmen is op die leeftijd uitstroom extreem hoog.’

Ja wacht even. Gebruikt deze professor niet een andere definitie van specialisatie? Hij heeft het over ‘roofbouw plegen’ in relatie tot specialisatie, maar dat lijkt me meer van toepassing bij (te) intensief sporten en/of te eenzijdig sporten, wat ik me bij iedere dag dezelfde oefening aan de ringen goed kan voorstellen. Maar hockey kun je toch niet vergelijken met turnen? Of met zwemmen? Hockey is toch een veel minder eenzijdige sport? Is specialisatie in het hockey dan niet eerder de positie in het veld (spits of verdediger) of het pushen van de strafcorner? Ik vraag me af of deze professor het beoefenen van de sport hockey als specialisatie ziet.

De juiste vragen stellen

Er valt nog iets op in het onderzoek. Ik lees dat de dames vooral turnen en ballet hebben beoefend en de heren vooral tennis en voetbal. Typisch van al deze sporten is dat je er vroeger mee mag beginnen dan met hockey, waar bij mijn generatie nog een leeftijdgrens van (ik meen) zeven jaar op zat. Veel ouders zetten vanaf vier jaar hun zoontje op voetbal, zodat hij zijn energie kwijt kan. En veel meisjes vinden ballet en turnen zeker op die jonge leeftijd leuk. Ik gaf al aan dat hockeyers vaker uit meer welgestelde gezinnen komen waar middelen beschikbaar zijn voor sport, dus dat een kind uit zo’n gezin vanaf zijn vierde gaat sporten is niet zo gek. Maar dan rijst de vraag: hoe lang zijn ze doorgegaan met die sporten? Hebben ze de sporten tegelijk gedaan of na elkaar? Op welk niveau hebben ze die sport(en) beoefend en hoe intensief? Ik vind niet meer terug in het onderzoek dan de vraag: “Heb je ook nog andere sporten gedaan?” Maar wat heb je aan het antwoord op die vraag?

Bruikbaarheid van het onderzoek

Het onderzoek van Hoeben toont een aantal kenmerken van hockeyinternationals. Als je die nergens tegen afzet en ook geen onderzoek doet naar causaliteiten, is het gevaarlijk om er conclusies aan te verbinden. Het zou zomaar kunnen zijn dat specialisatie (in dit geval: alleen hockey als sport beoefenen) juist wel een grotere kans oplevert om international te worden. Terwijl hier het tegenovergestelde wordt beweerd. Het zou toch zonde zijn als we hierdoor de volgende Teun de Nooijer zouden mislopen!

Succes begint bij de juiste informatie

Zijn ze dan zo dom bij de KNHB? Nee hoor. Ik krijg in mijn werk vaak te maken met klanten die hun beleid bepalen op basis van onderzoek waarin klassieke valkuilen zitten. Dat onderzoek is meestal uitgevoerd door een afdeling (of een extern bureau) die daar verstand van zou moeten hebben. De resultaten worden klakkeloos overgenomen, vaak ook omdat het allemaal zo logisch klinkt. Maar naar het onderzoek zelf wordt helaas niet gekeken. En daardoor loopt de organisatie het risico tijd en geld in compleet verkeerde zaken te investeren. Zonde! Duurzaam succes begint bij het baseren van beslissingen op de juiste informatie. Wees daarom kritisch in wat je tot je neemt. Wil je meer weten over veelgemaakte fouten in onderzoek, zonder al te taaie kost te hoeven verorberen? Lees dan Daniel Kahneman’s Thinking, fast & slow en/of Phil Rosenzweig’s The Halo Effect. Goede investeringen in je vakantiedagen! Als je vragen hebt over een onderzoek mag je me ook altijd even contacteren, ik kijk graag even met je mee!

Advertenties

Enkel berichtnavigatie

Een gedachte over “KNHB trapt in traditionele valkuilen

  1. Patrick Faber op schreef:

    heldere analyse Bas. Had ook al het idee dat hier weinig zinnigs in stond toen ik het voor het eerst las (als oud-international van een nog oudere generatie die overigens ook heeft gevoetbald en getennist). Groet, Patrick Faber

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: